In elke beroepsgroep komen
fraudeurs voor. Van een straatveger tot een directeur, de mogelijkheden zijn
schier oneindig. Dat komt omdat fraude niets met functies te maken heeft en
alles met de mens: iedereen heeft een latent ‘fraude-gen' in zich .Daarnaast
zijn sommigen ook nog sociaal-maatschappelijk of psychisch belast.
Dit gegeven maakt u wellicht
wat onrustig. We navelstaren liever; onszelf afsluiten voor de nare
werkelijkheid geeft een lekker, comfortabel gevoel. Het is ook wel begrijpelijk
als mensen dat doen: niets is zo bedreigend als de ogen wijd openzetten om te
zien wat er gebeurt. Daarnaast spelen ook het gevoel van onvermogen en het
adagium ‘bij ons gebeurt dat niet' een rol. Dan is het hard wakker worden als u
een fraude ontdekt. Alsof u met uw blote voeten op het koude zeil staat.
Het niet onder ogen willen
zien van de harde wekelijkheid is diametraal tegengesteld aan het openstaan
voor wie de fraudeur is. Deze twee opstellingen lijken niet verenigbaar met
elkaar te zijn.
Het voert te ver om hier met
enige psychologische eigenwijsheid iets over te zeggen. Maar het neemt niet weg
dat in de dagelijkse intermenselijke contacten het werken met oogkleppen op
niet constructief is en zelfs een groot risico met zich meebrengt.
Bij het vermoeden of
constateren van fraude ligt juist de kracht in een open, onbevangen blik.
Observeren zonder aanzien des persoons: daarmee is de kwade genius boven tafel
te krijgen. Dit vereist een grote mate van wijsheid en zorgvuldigheid van
degene onder wiens verantwoordelijkheid de interne fraude zich heeft kunnen
voordoen.
Het is wezenlijk dat alle
opties worden opengehouden. Een spiegel is daarbij een onmisbaar voorwerp. Want
mogelijk bevindt zich onder u zelfs de veroorzaker, doordat hij het slechte
voorbeeld geeft en zelf niet integer handelt.
Jos Meekel, Operationeel Directeur, Hoffmann Bedrijfsrecherche BV, Almere